Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014

Onder 3.4. Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1921.

52. De in art. 344a, derde lid, Sv gebezigde term “personen wier identiteit niet blijkt” omvat niet een geval als het onderhavige waarin het, zo blijkt uit de hierboven aangehaalde passage, gaat om personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel als zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. Het Hof was dus niet gehouden het gebruik voor het bewijs van de twee processen-verbaal te motiveren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9, en de alinea staat in dat document op bytes 119494 tot 120196.