Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2014

Onder 2.17. Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:197.

In het burgerlijk recht bepaalt art. 6:96 lid 2 BW dat als ‘vermogensschade’ mede voor vergoeding in aanmerking komen: (a) (…); (b) redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid; (c) redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Krachtens het derde lid van dat artikel is het bepaalde in het tweede lid onder b en c niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens art. 241 Rv de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Art. 241 Rv bepaalt dat ter zake van verrichtingen waarvoor de in art. 237 - 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van art. 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend, maar alleen de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. In HR 17 december 2004 was de vraag aan de orde of de Staat gehouden was, ter zake van de bijstand in een belastingprocedure een boven forfaitaire proceskostenvergoeding aan de belastingplichtige te betalen. De Hoge Raad overwoog:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e20f20e736c4b52d91dded797bc49e049a2f43bc5dead17638f9f3c723a783e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e20f20e736c4b52d91dded797bc49e049a2f43bc5dead17638f9f3c723a783e, en de alinea staat in dat document op bytes 36951 tot 38164.