Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014
Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2001.
Volgens de NvT moet dus worden beoordeeld of een eventuele uitsluiting wel of niet proportioneel is. Dat roept de vraag op wanneer die beoordeling moet plaatsvinden. Moet de aanbestedende dienst vooraf beoordelen of (en zo ja, onder welke bijkomende voorwaarden) een uitsluiting als gevolg van de beoogde facultatieve uitsluitingsgrond proportioneel is? Of dient de aanbestedende dienst zich (ook) achteraf, aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, van de proportionaliteit van de uitsluiting als gevolg van een van toepassing verklaarde facultatieve uitsluitingsgrond te vergewissen? De geciteerde passage laat naar mijn mening geen ruimte voor een andere uitleg dan dat dit laatste het geval is. Nog daargelaten dat de NvT uitdrukkelijk verlangt dat een eventuele uitsluiting en de duur daarvan in verhouding staan tot de (eerst achteraf vast te stellen) ernst van de onregelmatige gedraging, kan de aanbestedende dienst het door de NvT verlangde “maatwerk” (waarbij de aanbestedende dienst nagaat of hij in het concrete geval, mede afhankelijk van de aard en omvang van de fraude en de maatregelen die het betrokken bedrijf inmiddels heeft genomen) onmogelijk leveren door de proportionaliteit van een eventuele uitsluiting slechts vooraf en in abstracto te toetsen .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db9f39621d138d90b2ca7daa46f410f8a5dbed0e8dda299ff4037bd103e04e8c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db9f39621d138d90b2ca7daa46f410f8a5dbed0e8dda299ff4037bd103e04e8c, en de alinea staat in dat document op bytes 46834 tot 48271.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/db9f39621d138d90b2ca7daa46f410f8a5dbed0e8dda299ff4037bd103e04e8c | shasum -a 256