Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2002.

Uit de hierboven geciteerde briefwisseling tussen de advocaten van partijen volgt naar het oordeel van het hof eveneens genoegzaam dat partijen in 1999-2000 bezig waren de boedelscheiding af te wikkelen en dat zij verschillende goederen (zoals bepaalde inboedelgoederen, de auto, de vouwwagen de spaarbelegpolis) al feitelijk hadden verdeeld. Uit de briefwisseling van advocaten volgt voorts dat partijen in het viergesprek, dat op 1 juni 1999 plaatsvond, wel (grotendeels) overeenstemming hadden over de afwikkeling van de boedelscheiding maar dat die afwikkeling door de moeizame echtscheiding (waarbij partijen ook nog andere procedures met elkaar voerden over het gezag, de omgangsregeling en de kinderalimentatie), op enig moment (begin 2000) is gestaakt. Niet gesteld of gebleken is dat de toenmalige advocaten van partijen geen overleg met hun cliënten hebben gevoerd over de perikelen rondom de afwikkeling van de boedelscheiding. In maart 2000 heeft de man kennelijk nog de mogelijkheid onderzocht om een gerechtelijke procedure hierover te starten en is hij door zijn advocaat ook gewezen op inschakeling van de boedelnotaris, maar enige actie is hieruit niet voortgevloeid. De man stelt weliswaar dat hij steeds heeft geprobeerd de boedelscheiding af te wikkelen, maar hij heeft geen stukken overgelegd die zijn stelling onderbouwen. Het hof constateert dat de man in de periode 2000-2008 (of daaromtrent) kennelijk wel de betalingsverplichtingen jegens Vola en Achmea/Avero is nagekomen, welke vermogensbestanddelen ook bij de conceptakte (onder g. en h.) aan hem waren toegedeeld. De man heeft in die periode geen onderbouwde vordering tot nakoming jegens de vrouw ingesteld wegens overbedeling (convenant sub 5). Pas in 2008 komt de zaak weer in het volle licht te staan doordat de man medewering van de vrouw vraagt voor het beëindigen van de Levobovereenkomst. Nu de man in al die jaren geen (rechtens onderbouwde) inspanningen heeft gedaan om de boedelscheiding verder af te wikkelen, heeft hij bij de vrouw het vertrouwen gewekt dat hij (kennelijk) berustte in de feitelijke afwikkeling van de boedelscheiding (vgl. HR 8 februari 2013, LJN BY4279). De man heeft er kennelijk weloverwogen vanaf gezien, wellicht mede ingegeven door het feit dat hij geen kosteloze rechtsbijstand zou kunnen krijgen – zie de onder 3.5 genoemde brief van mr. Werners aan de man van 10 maart 2010. Uit de hierboven onder 3.7 geciteerde brief van de man aan de vrouw van 29 februari 2008 volgt uit zijn “PS” dat de man kennelijk ook al die jaren ervan uit is gegaan dat de boedelscheiding afgewikkeld was, ondanks het gegeven dat niet op alle onderdelen complete uitvoering is gegeven aan de verdeling (de verdeling of verrekening van de afkoop van de (spaar)polissen); over de inboedel rept de man in die brieven in ieder geval niet).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2, en de alinea staat in dat document op bytes 25592 tot 28509.