Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2002.

Ik moet voorop stellen dat de betreffende exercitie van het hof hoofdzakelijk uitleg van processtukken betreft die op zichzelf in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het hof neemt allereerst in rov. 3.5 tot uitgangspunt dat partijen op 14 juni 1999 onderling een boedelverdeling zijn overeengekomen, die ziet op bepaalde roerende zaken die de man zou willen meenemen: een Spaarbelegpolis en de vier polissen op naam van de kinderen, verwijzend naar de handgeschreven en door beiden partijen getekende onderhandse akte van die datum (overgelegd als prod. 11 bij inleidende dagvaarding). Vervolgens constateert het hof dat partijen in hun bespreking in het bijzijn van hun beider advocaten van 1 juli 1999 wel grotendeels overeenstemming hadden over de afwikkeling van de boedelscheiding, maar dat de uitwerking daarvan door de vechtscheiding ergens begin 2000 is gestaakt. Uit de confraternele correspondentie uit die periode is volgens het hof op te maken dat er toen nog een aantal zaken moesten worden geregeld, die zijdens de vrouw zijn verwoord in een concept echtscheidingsconvenant, dat vervolgens door de man is verworpen. De gedachtegang van het hof loopt daarna over de volgende sporen. Het hof constateert dat de man enerzijds kennelijk in de acht jaar waar we het over hebben wel betalingsverplichtingen jegens Vola en Achmea/Avero nakomt die in de conceptakte onder g. en h. aan hem waren toebedeeld (lees: deze akte deels uitvoert), maar anderzijds niet aantoonbaar een onderbouwde vordering tot overbedeling van de vrouw instelt in die periode (ook een mogelijkheid onder het concept convenant; hij komt daar volgens het hof eerst aantoonbaar in 2008 mee op de proppen). Hij heeft, zo leidt het hof uit de overgelegde correspondentie af, kennelijk nog wel overwogen actie te ondernemen, maar heeft daar blijkbaar van afgezien, mogelijk uit financiële overwegingen (toen zijn advocaat hem berichtte dat dat niet op toevoeging kon, gelet op zijn inkomen). Ook de “PS” uit de brief van de man van 29 februari 2008 – door het hof eerder geciteerd in rov. 3.7 (hiervoor weergegeven in 2.2) betrekt het hof in zijn evaluatie en dat past in deze gedachtegang: daar kan je volgens het hof uit afleiden dat de man kennelijk in die periode 2000 – 2008 ervan uitging dat de boedelscheiding afgewikkeld was, ondanks dat niet op alle onderdelen complete uitvoering was gegeven aan de verdelingsafspraken (te weten: verdeling of toe-/verrekening van (spaar)polissen waar de man in 2008 opeens op terugkomt, terwijl hij het in zijn brieven uit die tijd overigens helemaal niet heeft over de inboedel, dat komt pas bij dagvaarding). Het hof benoemt dit alles in rov. 3.9 zo: daardoor heeft de man bij de vrouw het vertrouwen gewekt dat hij (kennelijk) berustte in de feitelijke afwikkeling van de boedelscheiding, waarbij het hof verwijst naar HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279. Daarin overwoog Uw Raad als volgt over de juridische gevolgen van berusting bij een feitelijke afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2, en de alinea staat in dat document op bytes 33545 tot 36673.