Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2002.

Volgens mij vinden deze klachten geen feitelijke grondslag in het bestreden arrest. Uit rov. 3.12 blijkt niet dat het hof impliciet van oordeel is geweest dat de vrouw geslaagd zou zijn in haar bewijsopdracht dat er reeds een juridische verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden. Ik lees rov. 3.12 zo, dat het hof – voortbouwend op zijn oordeel in rov. 3.9 dat de man zijn recht heeft verwerkt om verdeling te vorderen – van oordeel is dat de conventionele vorderingen van de man “op die grondslag” stranden. Met “die grondslag” doelt het hof op het feit dat de man heeft berust in de feitelijke afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap in de periode tussen 15 februari 2000 en 21 februari 2008 en dat deze afwikkeling hiermee definitief is geworden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2, en de alinea staat in dat document op bytes 40626 tot 41504.