Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Onder 2.9 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2002.

Om deze reden kan ook de in onderdeel 2 voorgestelde rechtsklacht niet slagen, omdat het hof niet heeft miskend dat er wilsovereenstemming tussen partijen dient te zijn voordat een verdeling als rechtsgeldig kan worden aangemerkt in de zin van art. 3:182 BW jo. art. 3:33 BW. Het hof heeft in rov. 3.9 en 3.12 namelijk niet geoordeeld dat er een verdeling in de zin van art. 3:182 BW heeft plaatsgevonden – ook niet impliciet. Als hiervoor uiteengezet begrijp ik de overwegingen van het hof zo: de afspraken over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn sinds 15 februari 2000 over en weer niet (volledig) nagekomen, de man heeft (niet door louter tijdsverloop/stilzitten, maar door gedragingen) berust in die feitelijke afwikkeling ervan, die status quo, en daarmee bij de vrouw het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij zijn eventuele aanspraken ter zake niet langer geldend zou maken, zodat hij zijn recht heeft verwerkt om nog een verdeling in de zin van art. 3:182 BW te vorderen. Onderdeel 2 is dus ook tevergeefs voorgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 661f35a3b13b73ede7f22d8933160bdcdbaeb6a431a3fbca57e2e7f3bc0ebbf2, en de alinea staat in dat document op bytes 41583 tot 42686.