Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014

Onder 4.6. Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2015.

Een verklaring voor deze terughoudendheid zou kunnen zijn dat, wil de ‘Salduz’-regel voor de politie hanteerbaar zijn, ten tijde van het eerste verhoor duidelijk moet zijn wat die regel inhoudt. Dit mede gelet op de onverbiddelijke sanctie die op niet-naleving van de regel is gesteld. Die duidelijkheid verdwijnt uit het zicht als de toepasselijkheid van de regel afhankelijk wordt van alle bijzonderheden van het geval. Dat leidt tot een subtiele casuïstiek die in de dagelijkse politiepraktijk niet werkbaar is. Dat speelt in het bijzonder in een zaak als het onderhavige, waarin een beroep wordt gedaan op een geestelijke handicap. Een duidelijke grens – hoe groot en van welke aard moet de handicap zijn om recht te geven op consultatiebijstand? – is hier moeilijk te trekken. Bovendien zal de geestelijke handicap voor de politie lang niet altijd kenbaar zijn. Dat geldt zeker als het gaat om verdachten met een licht verstandelijke beperking. Mensen met een dergelijke handicap zijn doorgaans “verraderlijk gewoon”. Rapporten over de verdachte waarmee de politie niet bekend kon zijn (bijvoorbeeld doordat zij eerst achteraf zijn opgemaakt), kunnen de politie daarbij bezwaarlijk worden tegengeworpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d4b290d138f1ed4b1c4da62e074a9c10fc02f2d16f12d5ba2b6661d1fa4237e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d4b290d138f1ed4b1c4da62e074a9c10fc02f2d16f12d5ba2b6661d1fa4237e, en de alinea staat in dat document op bytes 17866 tot 19165.