Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014

Onder 4.7. Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2015.

Bezien vanuit het perspectief van de verdachte – om wiens positie het bij het recht op rechtsbijstand toch in de eerste plaats gaat – is het uiteraard onbevredigend dat aan een geestelijke handicap voorbij wordt gegaan enkel omdat die ten tijde van (de aanvang van) het verhoor niet kenbaar was. Ik kan mij daarom voorstellen dat, als achteraf bijvoorbeeld blijkt dat de verdachte functioneert op het niveau van een tienjarig kind, het onder omstandigheden in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM moet worden geoordeeld als de door de verdachte zonder rechtsbijstand afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd. Het betreft dan niet een sanctie op een vormverzuim van de verhorende opsporingsambtenaar, maar een regel van eerlijke procesvoering die door de rechter moet worden nageleefd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d4b290d138f1ed4b1c4da62e074a9c10fc02f2d16f12d5ba2b6661d1fa4237e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d4b290d138f1ed4b1c4da62e074a9c10fc02f2d16f12d5ba2b6661d1fa4237e, en de alinea staat in dat document op bytes 19229 tot 20080.