Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2014
Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2129.
16. De steller van het middel voert aan dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het aan de verdachte betaalde geldbedrag aan [betrokkene 1] is blijven toebehoren. Aan het middel ligt de gedachte ten grondslag dat op het moment van de betaling aan de verdachte de eigendom van het geldbedrag – in civielrechtelijke zin – op de verdachte is overgegaan. Aldus is het geldbedrag, volgens de steller van het middel, op dat moment aan de verdachte gaan toebehoren, zodat van verduistering in de zin van art. 321 Sr geen sprake kan zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9107caec2fffcefb128a08f8ad04c4407191168e37062472dec2b3ca986a9b2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9107caec2fffcefb128a08f8ad04c4407191168e37062472dec2b3ca986a9b2d, en de alinea staat in dat document op bytes 16694 tot 17257.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9107caec2fffcefb128a08f8ad04c4407191168e37062472dec2b3ca986a9b2d | shasum -a 256