Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2014

Onder 9.2 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2730.

Het belangrijkste argument tegen een waardering van het pensioen in eigen beheer op basis van een rekenrente van 4% is dat een dergelijke waardering tot gevolg heeft dat pensioenverplichtingen lager kunnen worden gewaardeerd dan de waarde in het economische verkeer, los van de vraag wat de exacte waarde in het economische verkeer dient te zijn. Stevens betoogt dat er om die reden in feite weinig bestaansrecht is voor een degelijk [bedoeld zal zijn: dergelijk; PJW] lage waardering en dat een koppeling van de in artikel 3.29 Wet IB 2001 genoemde rekenrente aan de rente die pensioenuitvoerders volgens DNB moeten hanteren meer voor de hand ligt. Bartel constateert voorts dat artikel 3.29 Wet IB 2001 er mede toe leidt dat de in eigen beheer op te bouwen pensioenverplichting ontoereikend is om aan de toegezegde uitkeringen krachtens een ouderdoms- en partnerpensioen te blijven voldoen. Een ander argument tegen het betreffende artikel is dat een rekenrente van 4% voor het pensioen in eigen beheer niet aansluit bij de wens van de wetgever om het pensioen van de DGA aan te laten sluiten bij hetgeen voor elders ondergebrachte pensioen gangbaar is. Pensioenfondsen en verzekeraars zijn immers niet gehouden aan artikel 3.29 Wet IB 2001.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01d2d409142cb7916aa4abec99eb9586256f6df525e259bfb95e49266766ad12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01d2d409142cb7916aa4abec99eb9586256f6df525e259bfb95e49266766ad12, en de alinea staat in dat document op bytes 127234 tot 128682.