Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 december 2014

Onder 5.4. Parket bij de Hoge Raad 9 december 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2838.

De Hoge Raad stelt voorop dat, gezien de formulering van art. 69, derde lid, AWR voor het antwoord op de vraag of al dan niet met vrucht een beroep op die bepaling kan worden gedaan, niet beslissend is of de belastingplichtige – subjectief gezien – ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte, maar of hij – objectief gezien – op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden (vgl. HR 2 mei 2001, LJN AB1375, BNB 2001, 319.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aba5282d052dd29e1a15062f8d877e9d3f4aad9353267c632a0d92126ff69ff0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aba5282d052dd29e1a15062f8d877e9d3f4aad9353267c632a0d92126ff69ff0, en de alinea staat in dat document op bytes 19028 tot 19803.