Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 april 2014

Onder 3.7 Parket bij de Hoge Raad 4 april 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:291.

Men kan zich wel iets kan voorstellen bij de gedachte dat de situatie na de ontbinding op de voet van art. 6:265 BW in zeker opzicht vergelijkbaar is met de situatie van contractuele ontbinding krachtens het uitkoopbeding (“wat dit betreft materieel niet verschilt”), nu na de ontbinding van 13 november 2007 [eiser] Habitura niet meer nodig bleek te hebben gezien de verkoop van het onroerend goed in januari 2008 aan de [C] die medio 2007 al in beeld waren als mogelijke koper (vgl. rov. 4.8.2, 5e volzin) voor een bedrag dat naar Habitura heeft gesteld (MvG. p. 11, maar [eiser] heeft betwist) door haar inspanningen mogelijk is geworden. Maar ik meen dat het middel per saldo terecht klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 4.8.2 in het licht van, kort gezegd, de ook bestaande verschillen tussen beide situaties en de (aard van de) tekortkoming van Habitura (onderdeel 3 in verbinding met in het bijzonder subonderdelen 1.1.1, 2.3.1, 2.3.3 en 2.3.5).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b17feacd6e642ab73f7f39acc00a261b69a53c71396c7f0131a2301c2766aeb4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b17feacd6e642ab73f7f39acc00a261b69a53c71396c7f0131a2301c2766aeb4, en de alinea staat in dat document op bytes 37578 tot 38566.