Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2014

Alinea 104 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:3085.

18. Mede gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten en de rol van de verdachte in het kader van de criminele organisatie die zich toelegde op inbraken, is het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten niet onbegrijpelijk. Dat door (deelneming aan) de criminele organisatie voordeel is behaald, kan genoegzaam volgen uit de op wettige bewijsmiddelen gebaseerde overwegingen van het hof. Het hof is gekomen tot een hoofdelijke aansprakelijkstelling. Het hof acht zich niet in staat enige verdeling te maken, waarbij het onder meer wijst op het feit dat vrijwel alle daders hebben gezwegen over hun betrokkenheid of enige betrokkenheid ontkennen en ook de betrokkene zelf niets heeft verklaard over het door hem genoten voordeel of een deel daarvan. Dat oordeel getuigt, gelet op de hiervoor weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van het zevende lid van art. 36e Sr, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, terwijl het – gelet op hetgeen van de zijde van de verdediging daartoe is aangevoerd – toereikend is gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d877e2283ba74718793fbc05e39a248c0d70c257961f9b3f638e01dbafbed0d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d877e2283ba74718793fbc05e39a248c0d70c257961f9b3f638e01dbafbed0d6, en de alinea staat in dat document op bytes 46469 tot 47653.