Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 maart 2014

Onder 4.24 Parket bij de Hoge Raad 26 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:327.

Wij kunnen deze gedachtegang niet geheel volgen. (…) Niet vereist is dat het de belastingplichtige kenbaar is welke fout is gemaakt. Voldoende is dat hem redelijkerwijs kenbaar was dat een fout is gemaakt en dat hij dus ten onrechte een voordeel genoot. Als dat het geval is (…) mag de belastingplichtige niet uitgaan van de juistheid van de belastingaanslag, zo is de opvatting van de regering. ‘Herstel van de onjuistheid schendt de rechtszekerheid dan niet.’ In het licht van die opvatting, die wij delen, valt niet in te zien waarom ‘Tegelijkertijd (…) ook duidelijk [is] dat gevallen waarin een inspecteur de aangifte onderzoekt en tot een onjuiste beoordeling van de feiten of het recht komt, navordering nog steeds niet mogelijk is, tenzij de belastingplichtige te kwader trouw is.’ Afgewacht moet worden of de Hoge Raad bij de uitleg van art. 16, lid 2, onderdeel c, AWR niettemin gewicht zal toekennen aan uitlatingen van de regering zoals de zojuist geciteerde, en navordering op grond van art. 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, AWR ter zake van fouten als gevolg van een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht zal afwijzen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0136cecce271e535cb8578c7068ba3b489ac84c08fcf3ca5e91f0ff7b2b6a815. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0136cecce271e535cb8578c7068ba3b489ac84c08fcf3ca5e91f0ff7b2b6a815, en de alinea staat in dat document op bytes 94493 tot 95675.