Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014

Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:345.

In de onderhavige zaak is naar haar aard verborgen schade niet aan de orde. Weliswaar speelt daarin volgens de dochter een rol dat [verweerder] het bestaan van zijn schuld of de opeisbaarheid daarvan opzettelijk voor haar verborgen heeft gehouden, maar dat leidt niet ertoe dat de vordering niet voor het intreden van de verjaring kan of althans kon worden gerealiseerd. In die omstandigheid voorziet immers art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub f BW, door de verjaringstermijn te verlengen tot zes maanden nadat de bedoelde omstandigheid is verdwenen. Het zou zich naar mijn mening niet met art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub f BW verdragen, indien de verjaringstermijn van art. 1:377 BW op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing wordt gelaten, in wezen op grond van het opzettelijk door [verweerder] voor de dochter verborgen houden van zijn schuld of de opeisbaarheid daarvan, en indien met voorbijgaan aan de termijn van zes maanden zoals voorzien in art. 3:320 BW wordt aangenomen dat - zoals het onderdeel suggereert - de aansprakelijkstelling door de dochter binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f79c077d7d83e42fa9e6afda3e7743aca6f09c1460d32f147c623c7a35b3eb5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f79c077d7d83e42fa9e6afda3e7743aca6f09c1460d32f147c623c7a35b3eb5d, en de alinea staat in dat document op bytes 59380 tot 60503.