Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014

Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:345.

Aan het voorgaande doet niet af dat, naar luid van art. 3:321 lid 2 BW, de in het eerste lid onder b en c genoemde gronden voor verlenging voortduren totdat de eindrekening van de wettelijk vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten. Het voortduren van een grond voor verlenging vooronderstelt dat de desbetreffende grond voor verlenging reeds bestond , dat wil zeggen is ontsproten aan (en ten tijde van) een bestaande verhouding zoals in het eerste lid onder b en c bedoeld. Het tweede lid houdt verband met het in art. 3:320 BW vervatte uitgangspunt dat een grond voor verlenging normaliter (in de woorden van art. 3:320 BW:) “verdwijnt” op het moment waarop de in art. 3:321 lid 1 bedoelde situatie waarin die grond “bestaat” , een einde neemt. In afwijking van dit uitgangspunt geldt op grond van het tweede lid een zekere verlengde werking van de daarin bedoelde verlengingsgronden, ook na beëindiging van de situaties (wettelijke vertegenwoordiging respectievelijk bewind) waaraan zij hun bestaan ontlenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f79c077d7d83e42fa9e6afda3e7743aca6f09c1460d32f147c623c7a35b3eb5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f79c077d7d83e42fa9e6afda3e7743aca6f09c1460d32f147c623c7a35b3eb5d, en de alinea staat in dat document op bytes 33459 tot 34710.