Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014
Onder 3.8 Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:346.
Uit de parlementaire geschiedenis van de Onteigeningswet blijkt dat de hierboven in 3.7 geciteerde formule in de wet is beland teneinde buiten twijfel te stellen dat de buiten het Koninkrijk of op een onbekende woonplaats wonende eigenaar geen bevoegdheid kreeg om het geding later dan op de eerstdienende dag over te nemen. Tijdens de behandeling van het wetsontwerp werd een amendement ingediend dat ertoe strekte dat de eigenaar, terugkomende, in elke stand van het geding dit zou kunnen overnemen van de door de rechtbank benoemde persoon. De Minister van Binnenlandse Zaken merkte hierover op 23 juli 1851 in de Tweede Kamer op (zie ook de nrs. 2.12 en 2.13 van de conclusie van mr. Wesseling-van Gent bij de zaak die leidde tot het arrest van Uw Raad van 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2653, NJ 2005/446):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588, en de alinea staat in dat document op bytes 38452 tot 39342.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588 | shasum -a 256