Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014
Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:346.
Terzijde merk ik op dat de in 1920 in lid 3 van art. 20 ingevoerde overeenkomstige toepasselijkverklaring van de leden 1 en 2 van dat artikel de moeilijkheid meebrengt dat de rechtbank niet weet (en in het systeem van de Onteigeningswet omwille van de spoed ook niet zou behoeven uit te zoeken) of een pretense erfgenaam die op de eerstdienende dag verschijnt werkelijk erfgenaam van de in het onteigeningsbesluit aangewezen verweerder is. Deze moeilijkheid schijnt de wetgever over het hoofd te hebben gezien. Zie voor de - op dit punt summiere - memorie van toelichting met betrekking tot het ontwerp van lid 3 van art. 20 de hierboven in 3.8 bedoelde conclusie van mr. Wesseling-van Gent onder nr. 2.11. Wellicht kan deze moeilijkheid onder het huidige recht worden ondervangen door van de erfgenamen die op de voet van art. 20 lid 2 Ow verschijnen te eisen dat zij terstond een notariële akte als in art. 5:188 BW bedoeld (verklaring van erfrecht) in het geding brengen waaruit hun hoedanigheid van erfgenamen kan worden afgeleid, bij gebreke waarvan het geding verder tegen de derde blijft worden gevoerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588, en de alinea staat in dat document op bytes 41033 tot 42157.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588 | shasum -a 256