Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014
Onder 4.4 Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:346.
In cassatie onbestreden is de samenvatting die de rechtbank in rov. 5.7 heeft gegeven van het beroep van [eiser] op na het Koninklijk Besluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden, namelijk “ dat de economische crisis zich in de afgelopen twee jaren verder heeft verdiept en dat de uitgifte van bedrijventerreinen in de provincie Drenthe vrijwel tot stilstand is gekomen ”, alsmede dat “ de gemeente het beleid met betrekking tot de realisatie van het bedrijventerrein ‘De Riegmeer’ begin 2012 heeft gewijzigd .” De genoemde beleidswijziging houdt blijkens de gedingstukken in dat de gemeenteraad op 12 april 2012 ermee heeft ingestemd dat uitgegaan wordt van een gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 3-5 hectare bedrijventerrein per jaar en dat de aanleg van de eerste fase van Riegmeer wordt gestart “ bij de eerste bedrijfsvestiging die redelijkerwijs niet meer inpasbaar is op de bestaande terreinen. ” Daartegenover heeft de Gemeente onder meer gesteld dat zij geen grotere kavels meer kan aanbieden, dat de maximale kavelgrootte die nog beschikbaar is ligt rond de 2 ha, dat grotere ruimtevragers geen plek meer kunnen vinden op de huidige terreinen, en dat Riegmeer geschikt is voor grotere ruimtevragers en zwaardere bedrijvigheid. De Gemeente heeft verder gesteld dat de noodzaak en urgentie van de onteigening erin zijn gelegen dat zij eigenaar van het bedrijfsterrein moet zijn om een vestigingskandidaat te kunnen bedienen als deze zich bij haar meldt en dat haar opnieuw vragen over de mogelijke beschikbaarheid van een bedrijfskavel van 8 tot 10 ha hebben bereikt . De rechtbank heeft dit betoog kennelijk gevolgd door op grond van het - op zichzelf niet door [eiser] betwiste - gesprek met een potentiële vestigingskandidaat over een kavel van 12 ha te concluderen dat “ ondanks een zich verdiepende crisis met alle gevolgen van dien, zich toch mogelijkheden voordoen die maken dat voldoende bedrijfsterrein, van voldoende omvang, beschikbaar dient te zijn. ” Het oordeel van de rechtbank komt naar de kern genomen erop neer dat dat de onteigening nog steeds geschiedt ten behoeve van de aanleg van het ter plaatse te realiseren bedrijventerrein, ofwel: dat de Gemeente haar bevoegdheid om te onteigenen voor geen ander doel gebruikt dan het doel waarvoor zij die bevoegdheid heeft gekregen. In dit licht wijst de verwerping van het beroep op gewijzigde of nieuwe omstandigheden naar mijn mening niet op een onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank. Voorts lijkt mij het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van de in onderdeel 2.2 opgesomde stellingen van [eiser], niet onbegrijpelijk. Het tweede middelonderdeel acht ik dan ook ongegrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588, en de alinea staat in dat document op bytes 53315 tot 56346.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2854a5fa6baa3d07fa90cf8df77a0ded2ab7ca7812527b8c72aa5a1840b79588 | shasum -a 256