Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014

Onder 3.23. Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:369.

Voor zover het hof de in rov. 3.7 onder (v) genoemde gevolgtrekking heeft afgeleid uit de in diezelfde overweging onder (i) genoemde omstandigheid (kort gezegd: de bekendheid van de V.S. met de folterpraktijk van de Pakistaanse inlichtingendiensten), is dat oordeel volgens de klacht onder d rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zonder een nadere motivering. Zelfs wanneer een aanhoudingsverzoek kan worden gelijkgesteld met het ‘uitlokken of bewerkstelligen’ van foltering, is volgens de Staat ten minste nodig dat de desbetreffende functionarissen van de V.S. toen wisten althans hadden moeten weten dat de uitvoering van het aanhoudingsverzoek tot gevolg zou hebben dat specifiek de opgeëiste persoon zou worden gefolterd en dat die foltering in verband staat met de zaak ten behoeve waarvan de uitlevering is verzocht. Een bekendheid (uit rapportages van mensenrechtenorganisaties) met een in het algemeen in het land van aanhouding bestaand risico dat (bepaalde categorieën van) verdachten worden gefolterd, is volgens de klacht niet voldoende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742, en de alinea staat in dat document op bytes 83566 tot 84711.