Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014
Onder 4.10. Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:369.
Hierbij gaat het om de stelplicht en de bewijslastverdeling in de procedure bij het EHRM zelf. Wat betreft de procedures in de verdragsstaten: uit hetgeen het EHRM in rov. 182 overweegt kan worden opgemaakt dat indien een persoon die een ‘ arguable claim’ heeft dat jegens hem een schending van art. 3 EVRM is begaan door “agents of the state ”, de EVRM-verdragsstaat die het aangaat zorg moet dragen voor een officieel en effectief onderzoek naar die schending. De eisen die het EHRM aan een dergelijk onderzoek stelt, zijn in alinea 2.8 hiervoor besproken. Anders dan in het geval van El-Masri, waar de beweerde schending gedeeltelijk op Macedonisch grondgebied zou hebben plaatsgevonden door functionarissen van een buitenlandse mogendheid met medewerking of medeweten (stilzwijgende goedkeuring) van Macedonische autoriteiten, is in dit geding nooit beweerd dat de opgeëiste persoon zou zijn gefolterd in Nederland, door personeel of anderszins door toedoen van de Nederlandse overheid. Op het arrest El-Masri kan de onderzoeksplicht van de Staat dus niet worden gebaseerd: het hof oordeelde in gelijke zin (zie rov. 3.6 van het tussenarrest).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742, en de alinea staat in dat document op bytes 117758 tot 119059.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742 | shasum -a 256