Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014
Onder 2.5. Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:369.
In Europa is in art. 3 EVRM bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het folterverbod geldt als absoluut: anders dan bij sommige andere vrijheden, kent artikel 3 geen tweede lid dat beperkingen toestaat . In de rechtspraak van het EHRM wordt onderscheid gemaakt tussen negatieve en positieve verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien. Tot de negatieve verplichtingen van staten die partij zijn bij het EVRM behoort de verplichting zich te onthouden van foltering, maar ook een verbod van refoulement : het verbod om een persoon die zich in hun rechtsmacht bevindt uit te leveren aan een andere staat indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat die persoon, na zijn overbrenging naar die staat zal worden gefolterd . De standaard is gezet in het arrest van het EHRM van 7 juli 1989 inzake Soering/Verenigd Koninkrijk . Na een uiteenzetting over de toepassing van art. 3 EVRM in uitleveringszaken (rov. 81 - 90) overwoog het EHRM:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742, en de alinea staat in dat document op bytes 28309 tot 29602.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742 | shasum -a 256