Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014
Onder 2.18. Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:369.
Het onder (ii) genoemde oordeel stelt de lezer voor het probleem dat “onzekerheid” over een mogelijke betrokkenheid van de verzoekende staat bij een door de opgeëiste persoon ondergane foltering in het toepasselijke uitleveringsverdrag met de V.S. noch in het Verdrag tegen foltering of het EVRM is benoemd als een zelfstandige grond voor het weigeren van een verzochte uitlevering. Een verklaring voor dit oordeel moet dus elders worden gevonden. Ik zie twee mogelijke juridische grondslagen voor een dergelijke beslissing: hetzij een toepassing van het beginsel van de equality of arms , zoals dit uit art. 6 EVRM voortvloeit, hetzij een door het hof aangenomen internationaalrechtelijke verplichting van de Staat om ertoe bij te dragen dat foltering wereldwijd wordt uitgebannen, door in gevallen waarin vaststaat dat foltering heeft plaatsgevonden maar onduidelijk is gebleven of functionarissen van de verzoekende staat daarbij betrokken zijn geweest, uitlevering aan de verzoekende staat te weigeren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742, en de alinea staat in dat document op bytes 52091 tot 53150.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/efe8dd90fe307147b774c855c4ab75304f98b3213441084decdad37b19126742 | shasum -a 256