Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2014
Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:372.
Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de fictie van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op grond van art. 143 lid 3 jo. art. 144 sub b Rv slechts dan geldt als aanvangsmoment van de termijn waarbinnen het verzet door de bij verstek veroordeelde persoon moet worden gedaan, wanneer de uitbetaling aan de beslaglegger in geval van derdenbeslag op een vordering heeft plaatsgevonden op grond van een derdenbeslag dat doel heeft getroffen. Blijkt achteraf dat het derdenbeslag geen doel heeft getroffen, omdat – zoals in het onderhavige geval – de vordering waarop beslag is gelegd niet aan de bij verstek veroordeelde persoon blijkt toe te komen, dan laat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zich niet fixeren op het moment dat de uitbetaling aan de beslaglegger op grond van het ten onrechte gelegde beslag heeft plaatsgevonden. In het onderhavige geval staat vast dat het derdenbeslag dat Morning Star onder Administratiekantoor NSS en NSS heeft gelegd, achteraf bezien, geen doel heeft getroffen, omdat deze derden geen gelden of andere zaken onder zich blijken te hebben gehad ten behoeve van de Republiek Gabon. Tegen deze achtergrond heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.7 te overwegen dat, nu achteraf blijkt dat het beslag geen doel heeft getroffen, de verzettermijn niet is gaan lopen op 22 februari 2006 aangezien ‘(d)e betalingen die de vereffenaars van NSS en Administratiekantoor NSS op die dag hebben verricht (…) geen uitbetalingen uit hoofde van de derdenbeslagen (zijn) zodat het verstekvonnis niet op grond van artikel 144 aanhef en onder b kan worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd’. Hieraan doet niet af dat de derden waaronder beslag is gelegd, hebben verklaard dat de Republiek Gabon houdster is van certificaten van aandelen in NSS respectievelijk van aandelen in NSS. Zoals het hof in rov. 3.6 overweegt, bestaat geen grond om de Republiek Gabon te houden aan deze, naar achteraf blijkt, onjuiste derdenverklaringen. Door het afleggen van de derdenverklaring op de voet van art. 476a Rv ontstaat geen verschuldigdheid van de derde-beslagene jegens de beslaglegger voor de in de verklaring genoemde geldsommen wanneer achteraf blijkt dat de derde-beslagene niets aan de geëxecuteerde verschuldigd is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d114dbb15546865bfb4041c66de9e5bc29607d1516cba7121df1f429674bf656. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d114dbb15546865bfb4041c66de9e5bc29607d1516cba7121df1f429674bf656, en de alinea staat in dat document op bytes 18046 tot 20479.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d114dbb15546865bfb4041c66de9e5bc29607d1516cba7121df1f429674bf656 | shasum -a 256