Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014

Onder 5.3 Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:377.

Onderdeel 1 betreft de uitleg van de verpandingsplicht. Onderdeel 1.2 klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door op de in rov. 3.4, 3.6 en 3.7 omschreven wijze de inhoud van de verpandingsplicht van de [B-]vennootschappen jegens de bank te bepalen. Het Hof zou hebben miskend dat, voor zover de onderliggende kredietovereenkomsten geen verplichting behelzen tot verpanding van (ook) de door RCI gefinancierde voertuigen, een pandrecht daarop niet (louter) door de pandakte kan zijn gevestigd. Gelet op het causale stelsel dat een geldige titel vereist voor de rechtsgeldige vestiging van een pandrecht, had het Hof moeten oordelen dat de bank geen geldig pandrecht heeft verkregen, althans dat ten opzichte van de bank slechts een geldig pandrecht tot stand is gekomen met de strekking waarover, gelet op de kredietovereenkomst, wilsovereenstemming bestaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0cf4eca29d28867bcf0da0fad68f3df31600cd59b6409fea4530b3247ec56ac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0cf4eca29d28867bcf0da0fad68f3df31600cd59b6409fea4530b3247ec56ac, en de alinea staat in dat document op bytes 56209 tot 57194.