Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2014

Onder 2.10. Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:378.

Uit de omstandigheid dat betrokkene, drie maanden later, een beslissing in cassatie verzoekt maak ik op dat hij een oordeel achteraf verlangt over de gevolgtrekking van de rechtbank dat hij niet bereid was zich te laten horen. In Bopz-zaken betreffende een voorlopige machtiging is hoger beroep uitgesloten. De wetgever heeft, toen hij de mogelijkheid van hoger beroep uitsloot, in aanmerking genomen dat de patiënt na een opneming ter uitvoering van een voorlopige machtiging steeds een verzoek tot ontslag uit het ziekenhuis (invrijheidstelling) tot de geneesheer-directeur kan richten; zie art. 49 Wet Bopz. Via de officier van justitie kan een zodanig verzoek aan de rechtbank worden voorgelegd, die dan in een meervoudige kamer over het verzoek oordeelt . Langs die weg is voorzien in rechtsbescherming op korte termijn voor gevallen als het onderhavige, waarin de betrokkene door een detentie uit anderen hoofde niet in de gelegenheid is geweest bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/44100dcf8e2573a56c76fe8d1f0f43cd1f9612c7242c7504614dd227db8cc300. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 44100dcf8e2573a56c76fe8d1f0f43cd1f9612c7242c7504614dd227db8cc300, en de alinea staat in dat document op bytes 17802 tot 18942.