Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014
Onder 4.7. Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:408.
Inderdaad blijkt, zoals de stellers van het middel in de schriftuur aanvoeren, uit het hiervoor weergegeven citaat van het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 16 november 2011 niet dat de getuige naar haar geboorteplaats, (exacte) GBA-adres en (exact) feitelijk woonadres is gevraagd, zoals art. 290 jo 27a Sv thans wel voorschrijft. Er is derhalve sprake van de schending van een zittingsvoorschrift. Het gaat daarbij, anders dan de stellers van het middel lijken te menen, niet om de vraag of de getuigenverklaring als een onwettig of onrechtmatig verkregen bewijsmiddel van het bewijs moet worden uitgesloten , maar om de vraag of het onderzoek ter terechtzitting – en dientengevolge het op basis daarvan gewezen arrest – aan nietigheid lijdt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e, en de alinea staat in dat document op bytes 10453 tot 11289.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e | shasum -a 256