Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014
Onder 5.3. Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:408.
Ter terechtzitting van het Hof van 10 april 2012 heeft de raadsvrouwe van verdachte –overeenkomstig haar op die zitting overlegde pleitnota- onder meer aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft zij aangevoerd dat hij constant wisselden verklaringen heeft afgelegd en de belastende verklaringen die er liggen niet consistent zijn. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 2] heeft zij aangevoerd dat zijn verklaringen door ernstig geheugenverlies, tegenstrijdigheden en duidelijke inconsistenties met de daadwerkelijke gang van zaken onbetrouwbaar zijn om als bewijs gebruikt te worden. Meer in het bijzonder is aangevoerd dat de beide medeverdachten op hun bij de politie afgelegde verklaringen zijn teruggekomen voor zover zij daarin de verdachte (die zij als “[verdachte]” kenden) als mededader aanwezen en dat [medeverdachte 1] had verklaard dat hij [verdachte] de schuld had moeten geven. Daarnaast heeft de raadsvrouwe de betrouwbaarheid van de al genoemde getuige [getuige] aangevochten en een beroep gedaan op een aantal omstandigheden die zouden maken dat het twijfelachtig is dat verdachte bij de zaak betrokken is geweest. Ik beperk me bij deze beknopte weergave van het pleidooi tot de argumenten die mij het meest zwaarwegend voorkomen. Het eerste argument is dat de aangever, die ruim tweeëneenhalf uur naast de derde dader (niet zijnde [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2], die achterin zaten) in de auto heeft gezeten, die een gedetailleerd signalement van deze dader heeft gegeven en die stelde dat hij deze dader zou herkennen, de verdachte niet heeft herkend tijdens een fotoconfrontatie. Daarbij is tevens aangevoerd dat het signalement niet geheel klopte (de verdachte zou geen haakneus hebben), terwijl belangrijke zichtbare kenmerken van verdachte (tatoeages in de nek en op de handen) door de aangever niet zijn gesignaleerd. Het tweede argument betreft het ontbreken van technisch bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder aangevoerd dat in de auto van aangever [slachtoffer] DNA-sporen zijn veiliggesteld van drie onbekende mannen A, B en C. De sporen A en C, aangetroffen op twee flesjes AA-drink die achterin de auto lagen, zouden van respectievelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn. Het spoor van de onbekende man B, aangetroffen op de buitenkant van een panty, matchte niet met het DNA van de verdachte. De verdachte kan dus niet, zo concludeerde de raadsvrouwe, de derde dader zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e, en de alinea staat in dat document op bytes 14705 tot 17416.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e | shasum -a 256