Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014

Onder 5.8. Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:408.

De stellers van het middel erkennen dat art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv volgens de Hoge Raad niet vereist dat op ieder afzonderlijk argument wordt ingegaan. Desondanks menen zij dat het Hof in elk geval had moeten responderen op het verweer dat de medeverdachten hun verklaringen hebben ingetrokken, op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het niet-herkennen van de verdachte door de aangever en het door de aangever opgegeven signalement en op het verweer dat het DNA-spoor van de onbekende man B niet overeenkwam met het DNA van de verdachte. Zij wijzen er daarbij op dat de verdachte door de Rechtbank was vrijgesproken omdat zij van oordeel was dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting “niet eenduidig” naar voren kwam dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten was betrokken. Dat oordeel zou, zo begrijp ik, nopen tot een extra zorgvuldige verantwoording van het bewijsoordeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08a2cbfa38d5e8757cefb2867e1ec02f6c6d3307a7a28e0f74dd2379d8859a7e, en de alinea staat in dat document op bytes 31584 tot 32510.