Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2014

Onder 4.4 Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:41.

In mijn conclusie voor HR 8 juni 1977, BNB 1977/190, blz. 855, regels 14-19, betoogde ik, dat theoretisch in het vermogen van een belastingplichtige eigenlijk geen specifiek verband gelegd kan worden tussen bepaalde vermogensbestanddelen en bepaalde schulden. Naar het mij voorkomt, is het een soortgelijke gedachtengang die ten grondslag ligt aan de hiervoor onder g vermelde jurisprudentie. Een vermogensbestanddeel heeft, op zichzelf beschouwd, voor een belastingplichtige die het met eigen geldmiddelen financiert, de zelfde betekenis als voor een belastingplichtige die het door een geldlening financiert. Daarom is het juist, dat, waar de eerstbedoelde belastingplichtige van de vastgelegde geldmiddelen de rente derft en dus deswege niet belast wordt, de laatstbedoelde belastingplichtige de betaalde rente mag aftrekken (zie Van Dijck, WFR 5354 d.d. 9 maart 1978, jaargang 107, blz. 278).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aad47203270ff472006932017273568105f5f8c8094e6d65ca4cf661eedae654. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aad47203270ff472006932017273568105f5f8c8094e6d65ca4cf661eedae654, en de alinea staat in dat document op bytes 40452 tot 41361.