Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014
Onder 4.9. Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:471.
Omdat onzeker is of van een kennelijke misslag kan worden gesproken, maar vooral vanwege het belang van de door de klacht opgeworpen vraag voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, zal ik de klacht inhoudelijk bespreken. De vraag is of de opvatting waarop de klacht berust voor juist kan worden gehouden. Die opvatting is kennelijk dat handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” een persoonlijke omstandigheid is die de strafbaarheid verhoogt als bedoeld in art. 50 Sr, zodat die omstandigheid alleen in aanmerking kan worden genomen bij de dader (in dit geval [medeverdachte 1]) die zij persoonlijk betreft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37, en de alinea staat in dat document op bytes 17583 tot 18227.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37 | shasum -a 256