Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014
Onder 4.10. Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:471.
Art. 50 Sr heeft geen betrekking op zogenaamde strafbepalende omstandigheden, ook al zijn die van persoonlijke aard. Persoonlijke omstandigheden die een bestanddeel vormen van een (aparte) delictsomschrijving, zijn strafbepalend. Dat geldt ook voor de bestanddelen van een gekwalificeerde specialis. Zoals bekend oordeelde de Hoge Raad in het Magazijnbediende-arrest (NJ 1926, p. 955) dat het “uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking” onder zich hebben van het desbetreffende goed in art. 322 Sr een strafbepalende omstandigheid oplevert. De consequentie is dat ook personen die het goed niet uit hoofde van een dienstbetrekking onder zich hebben het misdrijf van art. 322 Sr kunnen medeplegen, mits zij op het bedoelde bestanddeel opzet hebben. De vraag waarop het aankomt, is zo gezien of art. 11 lid 3 Opiumwet kan worden aangemerkt als een strafverzwaringsgrond bij het gronddelict van art. 11 lid 2 Opiumwet, dan wel of art. 11 lid 3 Opiumwet een (zelfstandig) gekwalificeerd delict oplevert.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37, en de alinea staat in dat document op bytes 18292 tot 19383.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37 | shasum -a 256