Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014
Onder 4.13. Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:471.
Bij de zoektocht naar inhoudelijke argumenten ligt een vergelijking met overeenkomstige strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht voor de hand. Wat art. 11 lid 3 Opiumwet betreft, kan daarbij gedacht worden aan de gewoontemisdrijven, zoals flessentrekkerij (art. 326a Sr) en gewoonteheling (art. 417 Sr). Flessentrekkerij is ongetwijfeld een zelfstandig delict. Een gronddelict ontbreekt, terwijl moeilijk van een bijkomende omstandigheid kan worden gesproken die bij sommige deelnemers wel en bij anderen niet in aanmerking kan worden genomen. Het gaat immers om de delictuele gedraging zelf (“een beroep of een gewoonte maken van”) en daarmee om de kern van de strafbaarstelling. Bij gewoonteheling is het, anders dan bij flessentrekkerij, een strafbaar feit waarvan een gewoonte wordt gemaakt. Desondanks wordt, in overeenstemming met de formele benadering, aangenomen dat art. 417 Sr een gekwalificeerd delict is. Dat het anders had gekund bewijst art. 250 lid 2 Sr, dat luidt: “Indien de schuldige van het plegen van het misdrijf een beroep of gewoonte maakt, kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd”. Een inhoudelijke reden – en daar gaat het hier om – voor het verschil valt moeilijk te bedenken. Een en ander maakt het onzeker hoe art. 326c lid 3 Sr en art. 337 lid 3 Sr moeten worden geduid. In art. 326c lid 3 Sr is de formulering, anders dan in art. 250 lid 2 Sr, die van een zelfstandige strafbaarstelling (“Hij die van het plegen van misdrijven als bedoeld in het tweede lid zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent, wordt gestraft (…)”). In art. 337 lid 3 Sr, waarin de term ‘de schuldige’ wordt gebezigd, is gekozen voor een tussenvariant (“Indien de schuldige van het plegen van het misdrijf, genoemd in het eerste lid, zijn beroep maakt of het plegen van het misdrijf als zijn bedrijf uitoefent, wordt gestraft (…)”. Een inhoudelijke reden voor de verschillen in formulering valt weer moeilijk te bedenken. De Hullu schrijft dat “vermoedelijk” ook “voor de strafverzwaring wanneer iemand van het plegen van het feit zijn beroep maakt of het plegen als bedrijf uitoefent (zie bijv. art. 337 lid 3 Sr)” geldt dat sprake is van een strafverhogende omstandigheid. Waarop dit vermoeden is gebaseerd, blijft daarbij onduidelijk. Die onduidelijkheid, gevoegd bij het ontbreken van een inhoudelijk verschil met een gewoontemisdrijf als 417 Sr, maakt naar mijn mening dat ook aan een vergelijking met art. 336c lid 3 en art. 337 lid 3 Sr, ondanks de terminologische overeenkomst met handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf”, geen zwaarwegende argumenten kunnen worden ontleend voor de rubricering van art. 11 lid 3 Opiumwet als een persoonlijk werkende strafverzwaringsgrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37, en de alinea staat in dat document op bytes 22745 tot 25684.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37 | shasum -a 256