Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014

Onder 4.23. Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:471.

Voor de hier verdedigde benadering pleit ook een rechtspolitiek argument. In het licht van de forse strafverzwaring waarin art. 11 lid 3 Opiumwet voorziet (zes jaar, terwijl de ‘gewone’ meerdaadse samenloop, of die nu uit gelijksoortige of uit ongelijksoortige overtredingen bestaat, een maximum kent van twee jaar plus één derde), is er onvoldoende reden om onderscheid te maken tussen het stelselmatig op gelijksoortige en het stelselmatig op ongelijksoortige wijze overtreden van het bedoelde verbod. Acht jaar (zes jaar plus één derde) is voor het in de uitoefening van beroep of bedrijf overtreden van verschillende in art. 3, onder B, Opiumwet gestelde verboden erg veel van het goede. In de lijn van de al genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot voorbedachte raad en roekeloosheid ligt dat aan strafverzwarende omstandigheden een invulling wordt gegeven die de strafverzwaring kan rechtvaardigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8a0cc0983a93d5a60038372ba45f3b02853ad774eb6ecd58bf4d2e66bf41f37, en de alinea staat in dat document op bytes 37724 tot 38668.