Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2014

Onder 3.26 Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:526.

Het hof geeft er geen blijk van de kern van het betoog van SBOH c.s. – te weten dat door het hanteren van voormeld standpunt bij de opstalhouders het te honoreren vertrouwen is gewekt dat de toegenomen waarde van de grond aan de opstalhouders toekwam – anders te hebben opgevat. Het hof heeft slechts tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel het in grief 11 genoemde standpunt en de aangehaalde uitlatingen ter zake in het verleden niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de zittende opstalhouders daaraan het recht ontlenen om ook in de toekomst gevrijwaard te blijven van een nieuwe retributiesystematiek; evenmin ontlenen zij daaraan een recht op vergoeding. Het middel geeft niet aan waarom dit in hoge mate feitelijke oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de strekking en de werking van het vertrouwensbeginsel. Standpunten zijn vatbaar voor verandering. Mede daarom is het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk. Uit het voorgaande volgt tevens dat het bewijsaanbod, nu dit uitsluitend betrekking heeft op het bestaan van bedoeld ‘uitgangspunt’, als niet ter zake doende kon worden gepasseerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4ffca3c86eb288ffd53114249b9ed8f2a14081b00a82aba5c12be10f81646bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4ffca3c86eb288ffd53114249b9ed8f2a14081b00a82aba5c12be10f81646bb, en de alinea staat in dat document op bytes 58763 tot 59973.