Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2014
Onder 3.51 Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:526.
Met betrekking tot het door lagere overheden met behulp van privaatrechtelijke overeenkomsten gevoerde grondbeleid is HR 8 juli 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0315, NJ 1991/691 ( Kunst- en Antiekstudio Lelystad ) van groot belang. In deze zaak ging het om de vraag of het de gemeente vrijstaat bij de uitgifte van grond beperkende voorwaarden te bedingen omtrent de bestemming en het gebruik van de grond, ook indien daarmee gebruik wordt beperkt of verboden dat op grond van het vigerende bestemmingsplan geoorloofd is. In het kader van de vraag of de WRO in een verbod ter zake voorziet, oordeelde Uw Raad dat deze wet geacht moet worden niet aan het opnemen van dergelijke voorwaarden in overeenkomsten in de weg te staan, zulks op grond van het feit dat a) uit de wordingsgeschiedenis van de WRO niet uitdrukkelijk valt af te leiden dat de wetgever de – ook toen al op ruime schaal toegepaste – praktijk van een gemeentelijk gronduitgiftebeleid met beperkende verkoop- of erfpachtclausules wilde verbieden; b) die praktijk is bestendigd, ook na gerezen bedenkingen en na verschillende wijzigingen van de wet, en in 1989 zelfs het preventieve toezicht op gemeentelijke onroerend goed-transacties is afgeschaft, onder meer opdat de gemeenten daardoor een meer daadkrachtig en slagvaardig beleid zouden kunnen voeren; en c) het afwijzen van de privaatrechtelijke weg op dit gebied zou betekenen dat een algemeen gebruikelijke, reeds tientallen jaren bestaande gemeentelijke praktijk opeens door de rechter als ontoelaatbaar zou worden bestempeld, hetgeen met het oog op de zekerheid omtrent de rechtstoestand van onroerend goed uitermate bezwaarlijk zou zijn; het ligt dan ook veel meer voor de hand dat de wetgever deze materie regelt, waarbij hij ook aandacht kan besteden aan reeds bestaande voorwaarden. Volgens de uitspraak heeft de wetgever dus kennelijk een sinds jaar en dag bestaande praktijk willen toelaten, en is het dan niet aan de rechter deze praktijk toch van de ene op de andere dag te beëindigen. De wetgever heeft overigens ook niet ingegrepen naar aanleiding van deze uitspraak; daarvoor wordt klaarblijkelijk geen reden gezien.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4ffca3c86eb288ffd53114249b9ed8f2a14081b00a82aba5c12be10f81646bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4ffca3c86eb288ffd53114249b9ed8f2a14081b00a82aba5c12be10f81646bb, en de alinea staat in dat document op bytes 87110 tot 89338.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a4ffca3c86eb288ffd53114249b9ed8f2a14081b00a82aba5c12be10f81646bb | shasum -a 256