Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 april 2014

Alinea 98 Parket bij de Hoge Raad 15 april 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:547.

4.2. Over de - in cassatie verder niet bestreden - vraag in hoeverre sprake is van een onherstelbaar vormverzuim kort het volgende. Het (verzamelen en) veiligstellen van sporen valt onder de algemene bevoegdheid van de officier van justitie. Daarvoor gelden werkafspraken die tussen de opsporingsinstanties en het OM zijn gemaakt. Bij het NFI worden monsters voor tegenonderzoek in beginsel tenminste vijf jaar bewaard (of eventueel langer op aanwijzen van het parket), maar of en zo ja welke bewaartermijn ten aanzien van onderzoeksmateriaal bij het politielaboratorium standaard geldt, is mij niet gebleken. De beslissingen met betrekking tot het (ook in zoverre) afhandelen van het beslag is aan de officier van justitie. Los van welke (geprotocolleerde) werkafspraken met betrekking tot het al dan niet bewaren van de monsters voor eventueel tegenonderzoek in dezen hadden te gelden , heeft het Hof in ieder geval in het licht van de eisen van een eerlijke procesvoering van art. 6 EVRM - mede omvattende een recht op tegenonderzoek - kunnen oordelen dat de monsters prematuur zijn vernietigd. Ook in het middel wordt - in lijn met het oordeel van het Hof en de Rechtbank - als onbetwist vooropgesteld dat de genomen monsters van de inbeslaggenomen kilogrammen witte substantie prematuur zijn vernietigd. Op 13 september 2007 werden de pakketten met witte substantie in beslag genomen; op 30 januari 2008 zijn deze (althans grotendeels) vernietigd. Vervolgens is op de eerste regiezitting van 3 april 2008 door de verdediging in een zaak van een medeverdachte ([medeverdachte]) om een tegenonderzoek verzocht. Het Hof begrijpt dat verdachte zich bij dit verzoek heeft aangesloten, welk, overigens vanwege de overige vaststellingen niet onbegrijpelijke, oordeel in cassatie niet wordt betwist. De officier van justitie zegde aan dat tegenonderzoek medewerking toe. Op een tweede regiezitting op 26 juni 2008 bleek dat het verrichten van tegenonderzoek niet meer mogelijk was, omdat de monsters waren vernietigd, dan wel een deel daarvan (vijf monsters) in het ongerede was geraakt. Dat ook het Openbaar Ministerie in cassatie voorop stelt dat sprake is van een premature vernietiging van voor tegenonderzoek benodigd materiaal en dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert lijkt me derhalve een juist uitgangspunt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/684e9ee99ed882507b393aa9f1a64c6e8c91b9941be52f30cdb4e6254b0c069f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 684e9ee99ed882507b393aa9f1a64c6e8c91b9941be52f30cdb4e6254b0c069f, en de alinea staat in dat document op bytes 34425 tot 36951.