Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2014

Onder 5.20 Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:660.

Voor zoveel nodig, had het Hof, gezien art. 8:69(2) Awb, de rechtsgronden van belanghebbendes hogere beroep van ambtswege moeten aanvullen met art. 6:228(1)(a) BW, nu de partijen de verklaring aanmerken als ‘overeenkomst’ en ‘afspraak‘ en belanghebbendes stellingen in hoger beroep inhouden dat de inspecteur een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot het termijnverloop en dat zij in de onjuiste veronderstelling van een nog lopende aanslagtermijn iets heeft ondertekend die zij niet ondertekend zou hebben als die onjuiste voorstelling niet gegeven zou zijn. Het is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet aannemelijk dat de belanghebbende, indien zij zich gerealiseerd had dat de aanslagtermijn 2004 reeds verstreken was, afgezien zou hebben van haar beroep op het verval van bevoegdheid van de Inspecteur tot het opleggen van een aanslag. De bewijslast van het tegendeel c.q. van betere kennis bij de belanghebbende dan bij het Hof en bij de Inspecteur, rustte mijns inziens op de Inspecteur.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/071050786f17e3ce9531e1c5f54cec0da9aff7b59518f71a53e1cf38e4bb328b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 071050786f17e3ce9531e1c5f54cec0da9aff7b59518f71a53e1cf38e4bb328b, en de alinea staat in dat document op bytes 90113 tot 91162.