Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014
Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:682.
Wel is er reden een uitzondering te maken voor het “vuistpand” (artikel 3.9.2.1 lid 1), in welk geval het genot van het verpande geheel aan de pandgever is onttrokken. Juist uit het feit dat de pandgever de zaak of het order- of toonderpapier in handen van de pandhouder dan wel een derde van zijnentwege heeft gelaten, volgt een vermoeden dat de door dit pand gewaarborgde vordering nog niet is voldaan. Anderzijds kan de omstandigheid dat de pandhouder uit hoofde van het pandrecht het pand onder zich heeft dan wel dat dit zich van zijnentwege in handen van een derde bevindt, voor hem een reden zijn geweest om met betrekking tot de inning van de vordering stil te zitten, met name indien de waarde van het verpande goed voldoende is om daarop zijn vordering te verhalen. Onder de gegeven omstandigheden dient ook dit te worden gerespecteerd. Daarom is in het tweede lid voor dit geval een bijzondere voorziening gegeven: verjaring van de rechtsvordering verhindert niet dat het pandrecht op het verbonden goed wordt uitgeoefend. Voor het overige heeft de verjaring haar gewone werking. Verhaal op het overige vermogen van de schuldenaar, die de verjaring heeft ingeroepen, is dus niet meer mogelijk (…)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fa814c940d51b2e485a3ad13af71705344d3dc7d9ac947743a3a5ef43f783ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fa814c940d51b2e485a3ad13af71705344d3dc7d9ac947743a3a5ef43f783ab, en de alinea staat in dat document op bytes 26033 tot 27261.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3fa814c940d51b2e485a3ad13af71705344d3dc7d9ac947743a3a5ef43f783ab | shasum -a 256