Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014

Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:685.

Valt de staking onder de werking van art. 6 aanhef en onder 4 ESH, dan is daarmee in beginsel de rechtmatigheid gegeven, tenzij sprake is van een veronachtzaming van zwaarwegende procedureregels dan wel – met inachtneming van de door art. G ESH gestelde beperkingen – moet worden geoordeeld dat de actievoerders (vakbonden) in redelijkheid niet tot deze acties hadden kunnen komen. Tot die procedureregels behoort ook dat een staking slechts rechtmatig kan zijn als zij als uiterste redmiddel ( ultimum remedium ) is toegepast, welke vraag door de rechter met terughoudendheid moet worden beantwoord. De vraag aan welke vereisten moet zijn voldaan voordat een staking door de rechter aan beperkingen mag worden onderworpen, is – anders dan art. G ESH beoogt blijkens de daarin opgenomen woorden ‘welke bij de wet zijn voorgeschreven’ – in Nederland niet door de wetgever geregeld maar overgelaten aan de rechtspraak. In zijn arrest van 21 maart 1997 heeft de Hoge Raad het als volgt geformuleerd:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80f323064df128c7ca7e420aacd502e0ffd81dc5c7f9fb82c95b5da4b03e8ce1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80f323064df128c7ca7e420aacd502e0ffd81dc5c7f9fb82c95b5da4b03e8ce1, en de alinea staat in dat document op bytes 21182 tot 22364.