Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014

Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:685.

‘Naar Nederlands recht – waar deze vraag niet, gelijk voorzien in art. 31 ESH [thans art. G ESH; A-G], door de wetgever is beantwoord – komen deze in de rechtspraak ontwikkelde vereisten erop neer dat moet kunnen worden vastgesteld dat de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van art. 31 ESH [thans art. G ESH; A-G] aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijke gezien, dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig, ook jegens de werkgever. Of zulks het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door – met inachtneming van alle in het debat van partijen betrokken, voor het gegeven geval kenmerkende omstandigheden in onderling verband en samenhang – de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt’.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80f323064df128c7ca7e420aacd502e0ffd81dc5c7f9fb82c95b5da4b03e8ce1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80f323064df128c7ca7e420aacd502e0ffd81dc5c7f9fb82c95b5da4b03e8ce1, en de alinea staat in dat document op bytes 22409 tot 23621.