Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:685.

In het onderhavige geschil valt een verschil in aanpak te constateren tussen het vonnis van de voorzieningenrechter en het arrest van het hof. De voorzieningenrechter heeft vooropgesteld dat de onderhavige staking betrekking heeft op een belangengeschil tussen Rietlanden en de bonden als bedoeld in art. 6 aanhef en onder 4 ESH. Volgens de voorzieningenrechter komt het vervolgens aan op de vraag of door FNV en HZC een zodanige inbreuk op de rechten van Enerco wordt gemaakt dat beperkingen van het grondrecht maatschappelijk gezien noodzakelijk zijn. De voorzieningenrechter heeft de vordering van Enerco afgewezen, omdat Enerco niet aannemelijk heeft gemaakt disproportionele schade in de zin van art. G ESH te hebben geleden. In rov. 4.7 van het in cassatie bestreden arrest heeft het hof overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de staking bij Rietlanden viel onder de bescherming van art. 6 aanhef en onder 4 ESH. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de ‘besmetverklaring’, voor zover deze zag op werkzaamheden in andere ondernemingen dan Rietlanden niet op de voet van art. 6 aanhef en onder 4 ESH kan worden aangemerkt als een collectieve actie in het belangengeschil met Rietlanden. Daarmee is volgens het hof de besmetverklaring in beginsel onrechtmatig jegens Enerco (rov. 4.8 en 4.11). In rov. 4.12 heeft het hof ten overvloede overwogen dat zelfs indien de onderhavige collectieve actie onder het bereik van art. 6 aanhef en onder 4 ESH zou vallen, de toetsing aan de beperkingen van art. G ESH negatief voor FNV en HZC zou uitvallen op grond van hetgeen het hof in rov. 4.9 tot en met 4.11 heeft overwogen. Met andere woorden, bij een collectieve actie die onder het bereik van art. 6 aanhef en onder 4 ESH valt, mag de rechter slechts met terughoudendheid toetsen of een beperking van het grondrecht toelaatbaar gerechtvaardigd is in het kader van de niet-proportionele inbreuk op de belangen van derden in de zin van art. G ESH. Ten slotte heeft het hof in rov. 5 geoordeeld dat het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter moet worden vernietigd, maar dat dit niet kan leiden tot toewijzing in hoger beroep van de door Enerco gevraagde voorlopige voorzieningen nu het daartoe vereiste spoedeisende belang ontbreekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80f323064df128c7ca7e420aacd502e0ffd81dc5c7f9fb82c95b5da4b03e8ce1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80f323064df128c7ca7e420aacd502e0ffd81dc5c7f9fb82c95b5da4b03e8ce1, en de alinea staat in dat document op bytes 25002 tot 27335.