Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2014
Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:705.
De vraag die het hiervoor in 3.3 gestelde oproept, is of in verband daarmee voor het onderhavige geval valt te concluderen dat het niet vooraf melden van genoemde omstandigheden een schending van de informatieverplichtingen als voorzien in de artikelen 4:19 en 4:20 Wft oplevert. In deze artikelen gaat het – voor zover te dezen van belang – om het verstrekken door een financiële onderneming van informatie omtrent een aangeboden product. Dat product betreft in het onderhavige geval een langjarig spaardeposito met achterstelling. De omstandigheden waarvan [eiseres] stelt dat DSB haar daarover vooraf had dienen te informeren, betreffen niet het door DSB aangeboden langjarige spaardeposito met achterstelling als zodanig maar DSB zelf. Niet is vastgesteld kunnen worden dat de Wft en de daarop stoelende nadere regelingen als BGfo Wft en NRGfo Wft aan een financiële onderneming als een bank voorschrijven dat, wanneer zij een product als een langjarig spaardeposito met achterstelling aanbiedt, zij daarbij eigener beweging ook informatie dient te verstrekken over de bestuurlijke stabiliteit en de financiële gezondheid van haarzelf. Dat valt ook wel te begrijpen. Bedoelde informatie, zeker indien deze een nogal negatief beeld oproept, is gevoelige informatie die, indien zij algemeen bekend wordt, een bedreiging kan gaan vormen voor het voortbestaan van een financiële onderneming als een bank en daardoor kan leiden tot benadeling van velen die bij die financiële onderneming een belang hebben. Een financiële onderneming als een bank zal de informatie wel met name aan DNB dienen te verstrekken, met name in het kader van de periodieke evaluatie door DNB op de voet van artikel 3:18 Wft van bedrijfsaspecten als genoemd in de artikelen 3.17 (beheersing van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s; integriteit; soliditeit) en 3.57 (solvabiliteit) Wft. De algemene grondslag voor de bevoegdheid van DNB om ter zake inlichtingen in te winnen is te vinden in artikel 1:74 Wft en voor de plicht van de financiële onderneming om medewerking te verlenen in 5.20 Awb. In verband met de naleving van die plicht is van belang het uitgangspunt dat DNB aan verkregen inlichtingen van vertrouwelijke aard geen bekendheid zal geven dan voor zover nodig is voor de uitvoering van haar toezichtstaak (artikel 1:89 Wft).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ad4fdd56a1599a816360e79249dd8ba61881206cb5b6b0feb077a761ec357e36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ad4fdd56a1599a816360e79249dd8ba61881206cb5b6b0feb077a761ec357e36, en de alinea staat in dat document op bytes 47097 tot 49508.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ad4fdd56a1599a816360e79249dd8ba61881206cb5b6b0feb077a761ec357e36 | shasum -a 256