Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2014
Onder 3.8.4 Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:705.
Het hof heeft, na eerder al vastgesteld te hebben dat van een schending door DSB van de artikelen 4.19 en 4.20 Wft geen sprake is geweest, in rov. 3.26 bij de beoordeling van de vraag of er sprake zou zijn geweest van een onrechtmatig nalaten van AFM de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. Er was in de periode vóór juni 2008 geen sprake van zicht op een faillissement van DSB en een ingrijpen door AFM zou verstrekkende consequenties met zich hebben kunnen meebrengen. Nu het in rov. 3.26 gaat om de vraag of AFM in de periode vóór juni 2008 wel of niet gehouden zou zijn geweest om DSB te verplichten inlichtingen over haar bestuurlijke en financiële situatie op dat moment te verstrekken bij het aangaan van deposito-overeenkomsten met achterstelling, kan worden aangenomen dat het hof met de term ‘ingrijpen’ het oog heeft op het opleggen van deze verplichting aan DSB. Verder kan uit het feit dat het hof spreekt van de mogelijkheid van verstrekkende consequenties van het ingrijpen van AFM, worden afgeleid dat het hof er rekening mee heeft gehouden dat het opleggen van de verplichting aan DSB bij de buitenwereld bekend zou hebben kunnen geraken en dat dat snel het voortbestaan van DSB ernstig in gevaar zou hebben kunnen brengen en zou hebben kunnen leiden tot benadeling van velen die op een of andere wijze bij de bank waren betrokken, een en ander op een moment dat een dergelijke ontwikkeling bij DSB nog niet in het zicht was. Mede gelet op de aan AFM toekomende beoordelingsvrijheid en op de daaraan gerelateerde door de rechter te betrachten terughoudendheid, geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door op basis van deze omstandigheden te concluderen dat het niet ingrijpen van AFM niet als een onrechtmatig nalaten van haar is op te vatten. In deze beoordeling ligt verder ook opgesloten dat het hof het vermijden van het risico van het in gevaar brengen van het voortbestaan van DSB ten detrimente van velen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van [eiseres] bij het kennis dragen van de situatie bij DSB in verband met het sluiten van de deposito-overeenkomst in juni 2008. Die weging is mede hierom niet onbegrijpelijk, omdat toen een faillissement van DSB nog niet in zicht was. Dit laatste brengt mee dat ook voldoende duidelijk is hoe het hof het belang van [eiseres] heeft gewogen. Er is derhalve ook in dat opzicht geen sprake is van een onbegrijpelijk oordeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ad4fdd56a1599a816360e79249dd8ba61881206cb5b6b0feb077a761ec357e36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ad4fdd56a1599a816360e79249dd8ba61881206cb5b6b0feb077a761ec357e36, en de alinea staat in dat document op bytes 57311 tot 59756.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ad4fdd56a1599a816360e79249dd8ba61881206cb5b6b0feb077a761ec357e36 | shasum -a 256