Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2014

Onder 3.8.3 Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:76.

In de rechtspraak over telefoonzaken wordt verschillend geoordeeld over de toepasselijkheid van art. 7A:1576 BW (zoals onder 4 nog aan de orde zal komen). Waar toepasselijkheid is aangenomen, wordt verschillend gedacht over de betekenis van het tweede lid. (i) Soms is geoordeeld dat wanneer de prijs voor de telefoon niet afzonderlijk is vermeld, er geen overeenkomst is. (ii) Maar ook is geoordeeld dat de betalingsverplichting blijkt uit de maandelijkse abonnementskosten gedurende de minimumduur van het abonnement en dat daaraan niet afdoet dat de prijs ook ziet het gebruik van het telecommunicatienetwerk. (iii) Ten slotte is ook overwogen dat het beroep op het tweede lid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wanneer de consument de telefoon in ontvangst neemt, althans niet aanstonds terugbrengt, maar deze behoudt en zich eerst na geruime tijd in de procedure op het geheel ontbreken van een overeenkomst beroept. Ik neig naar de tweede opvatting, omdat de consument weet wat hij per maand voor het abonnement en de daarbij verstrekte telefoon moet betalen en partijen tot uitdrukking hebben gebracht dat zij een overeenkomst met een bepaalde minimumduur willen sluiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb678abc5d8c4701319a7efb95fac2c121c483c2de8302e3e188a653ec2805be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb678abc5d8c4701319a7efb95fac2c121c483c2de8302e3e188a653ec2805be, en de alinea staat in dat document op bytes 25098 tot 26385.