Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2014

Onder 5.4.2 Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:9.

Het middel en de schriftelijke toelichting daarop verwijzen met name naar (de zaak Lindheim e.a./Noorwegen en) nog drie uitspraken van het EHRM. EHRM 5 juli 2002 (Sovtransavto Holding/Oekraïne) betrof een gebrekkige nationale rechtgang voor een aandeelhouder die zijn belang in een vennootschap had ziet verwateren na een emmissie. In zijn noot constateert Heringa dat de EVRM normen, in casu het eigendomsrecht, een verregaande vorm van horizontale werking hebben: “Het EHRM vereist in deze zaak dat er op nationaal niveau een adequate rechtsgang bestaat ter zake van eigendomsbescherming in horizontale verhoudingen. Dat veronderstelt in wezen dat dat recht in horizontale verhoudingen een rol speelt en kan worden ingeroepen. Aldus leidt het leerstuk van de positieve verplichtingen ertoe om een horizontale werking aan te nemen: zonder die aanname kan een staat in gebreke blijven om te voldoen aan zijn positieve verplichtingen. De invulling ingevolge art. 1 Eerste Protocol, dat er een nationale rechtsgang moet zijn terzake van bescherming van de eigendom impliceert dat dit recht ingeroepen moet kunnen worden. En daarmee is dan de horizontale werking gegeven.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41d02cfd1a7f4df027127e73b55f62deaa11ccc6844b60ab20c6542bd543ab96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41d02cfd1a7f4df027127e73b55f62deaa11ccc6844b60ab20c6542bd543ab96, en de alinea staat in dat document op bytes 104695 tot 105946.