Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 januari 2015
Onder 4.13. Parket bij de Hoge Raad 6 januari 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1.
Om meer dan een voorzichtige veronderstelling gaat het in het voorgaande niet. Wel meen ik dat de arresten die door de Hoge Raad onder de nieuwe bedeling zijn gewezen, zich in deze sleutel laten zetten. Bij wijze van illustratie noem ik twee arresten waarvoor dat in het bijzonder geldt. In HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559 had het getuigenverzoek, evenals dat in de onderhavige zaak, betrekking op een door de verdediging geschetst alternatief scenario. De getuige zou de verklaringen dienaangaande van de verdachte en een medeverdachte kunnen ondersteunen. De Hoge Raad wees erop dat het Hof “blijkens zijn (…) bewijsoverweging [had] geoordeeld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, waarom het geen geloof hecht aan deze verklaringen en het daarin geschetste scenario”. Vervolgens overwoog de Hoge Raad dat hij, “gelet op dit oordeel en hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen”, de (dubieus gemotiveerde) afwijzing van het verzoek aldus “verstaat” dat het Hof heeft geoordeeld dat de noodzaak tot het horen van de getuige niet is gebleken, welk aldus verstane oordeel niet onbegrijpelijk was. In HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3113 werd de afwijzing van het verzoek eveneens beoordeeld in het licht van het bewijsoordeel van het Hof. Het ging om een getuige die een voor de verdachte belastende verklaring had afgelegd. Het Hof had het desbetreffende verzoek afgewezen omdat het te laat zou zijn gedaan, waarbij het overwoog dat het rekening zou houden met het feit dat de verdachte ten aanzien van deze getuige zijn ondervragingsrecht niet had kunnen uitoefenen. Ondanks deze in het vooruitzicht gestelde behoedzaamheid achtte het Hof de verklaring die deze getuige bij de politie had afgelegd bruikbaar voor het bewijs, omdat het bewijs naar zijn oordeel niet uitsluitend of overwegend op deze verklaring berustte, terwijl die verklaring bovendien steun vond in ander bewijsmateriaal van de getuige. De Hoge Raad nam in aanmerking dat dit oordeel van het Hof in cassatie niet werd bestreden, hetgeen leidde tot het oordeel dat de verdachte onvoldoende belang had bij zijn klacht dat het getuigenverzoek onbegrijpelijk gemotiveerd is afgewezen. Omdat het gebruik van de belastende getuigenverklaring, zo lijkt de conclusie te moeten zijn, niet in strijd was met art. 6 EVRM, kon de klacht niet slagen, ondanks het feit dat het desbetreffende verzoek mogelijk ten onrechte was afgewezen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13bd01fe281165ac993aaefc339404728707447e41d5be5e0b046e3b7efe7a16. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13bd01fe281165ac993aaefc339404728707447e41d5be5e0b046e3b7efe7a16, en de alinea staat in dat document op bytes 21998 tot 24423.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/13bd01fe281165ac993aaefc339404728707447e41d5be5e0b046e3b7efe7a16 | shasum -a 256