Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2015
Onder 4.42 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:129.
Ten slotte: een argeloze lezer heeft zich wellicht nog de vraag gesteld hoe de met betrekking tot onderdeel 2.4 verdedigde opvatting zich verhoudt tot de vaste rechtspraak met betrekking tot – kort gezegd – het proceskostenbelang. Het antwoord is eenvoudig. Als juist zou zijn dat de rechter zich (in beginsel) van een oordeel over de rechtmatigheid van wetgeving tijdens het wetgevingsproces dient te onthouden en dat procedures daarover voor risico van de aanlegger worden geëntameerd wanneer dit wetgevingsproces niet uitmondt in de regeling die hij beoogt te verijdelen, komen we aan deze leer niet toe. In casu heeft het “risico” zich verwezenlijkt zodat de aanleggers (Privacy First c.s.) in de kosten moeten worden veroordeeld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f690ea9a7bf4bd0b4a255797545ffdf1e72511a25eb411c505dbfff8fa5de932. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f690ea9a7bf4bd0b4a255797545ffdf1e72511a25eb411c505dbfff8fa5de932, en de alinea staat in dat document op bytes 85807 tot 86662.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f690ea9a7bf4bd0b4a255797545ffdf1e72511a25eb411c505dbfff8fa5de932 | shasum -a 256