Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015

Alinea 113 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1295.

17. Ook na het hiervoor weergegeven arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2010, waarin duidelijk is geworden dat de op 17 juni 2008 uitgezette lijn weldegelijk ook op het jeugdstrafrecht betrekking heeft, kwam de Rechtbank Amsterdam op 29 november 2011 en 20 september 2012 toch tot een niet-ontvankelijkheid van het OM. De rechtbank Amsterdam besteedde in deze uitspraken expliciet aandacht aan het arrest van 30 maart 2010, maar overwoog opnieuw dat de vraag rijst of de Hoge Raad bij het formuleren van de regel rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het IVRK. Datzelfde gebeurde in de uitspraken van de Rechtbank Arnhem op 25 september 2012 en van de Rechtbank Zwolle-Lelystad op 21 december 2012. De Rechtbank Amsterdam voegde daar in een drietal uitspraken van 2 april 2013 , waarin eveneens het OM niet ontvankelijk werd verklaard, nog aan toe dat de overheid ook zelf het uitgangspunt huldigt dat jeugdstrafzaken, gelet op het pedagogische karakter, snel dienen te worden afgedaan. De rechtbank Amsterdam verwees daarbij naar de (hierna nog te bespreken) zogenaamde Kalsbeeknormen. Ook verwees de rechtbank naar de Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen op grond waarvan tussen het eerste verhoor van de minderjarige verdachte en de beslissing van de kinderrechter in beginsel een periode van maximaal 6 maanden dient te zitten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebdc9e098512f227d6012cb0193216ec046bb54cf3cced0d6f70157c62d46568. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebdc9e098512f227d6012cb0193216ec046bb54cf3cced0d6f70157c62d46568, en de alinea staat in dat document op bytes 46739 tot 48587.